een lege tafel - gedachten over poëzie - meningen en discussie - een plek om aan te schuiven - een lege tafel

Op deze bladzij wordt een aantal citaten en meningen over poëzie gepresenteerd. De citaten zijn herkenbaar aan de bronvermelding. De andere teksten zijn overwegingen van mijn hand. Overwegingen bij het schrijven (en lezen) van poëzie, een zoektocht die nog volop gaande is. Reacties zijn welkom, en lopen het risico (anoniem) een plek op dit prikbord te verwerven. HOME

“Muziek is een soort stilte, en men heeft stilte nodig om muziek te horen”.

Vladimir Jankélévitsch, geciteerd in Trouw d.d. 16 september 2006 door Elmer Schönberger

Poëzie is niet geschikt voor massaproductie, noch voor massaconsumptie.

Elitair? Misschien. Maar ‘massaconsumptie’ kan ook gelezen worden als ‘gebruik in grote hoeveelheden’. Dat werkt niet bij poëzie, daar is poëzie te geconcentreerd voor. Het is net als met het uitzoeken van een parfum. In een goede parfumerie mag je hooguit vijf luchtjes proberen, daarna heeft het geen zin meer omdat de neus overvoerd raakt. Een goed gedicht herbergt een veelheid aan ervaringen en emoties. Hoeveel daarvan kun je achter elkaar genieten? Omgekeerd is er een bepaald soort concentratie nodig bij het schrijven van poëzie. Noem het inspiratie. Daarom kan poëzie niet als een industrieel massaproduct ‘aan de lopende band’ gemaakt worden.
 

"Inspiratie is een van die woorden waar nodig een staalborstel overheen moet."

Mark Boog – interview in Meander door Sander de Vaan maart 2006
Een gedicht is een ding van taal. Niet van emoties.
Esther Jansma
"Op gezette tijden krijg ik het bericht dat er iets uit wil. Als deze wens langdurig wordt gefrustreerd, begin ik op een koe te lijken die niet gemolken wordt. Een zacht en klaaglijk loeien neemt een aanvang. Mijn omgeving noemt het ongedurigheid, ook wel chagrin. Pas als er een beeld is, of een regel, dat (die) werkt, te herkennen aan een gevoel van honger, of, beter nog, verliefdheid, is er kans op een gedicht."  
Robert Anker in ‘Olifant achter blok’
Het is duidelijk dat het scheppingsproces voor de moderne dichter nooit kan bestaan uit de verwoording van pre-existente ideeën. Alleen in de daad van het dichten komt de dichter inzichten op het spoor die hij daarvoor niet had.
Robert Anker in ‘Olifant achter blok’

 

 

“De emotie die er in poëzie toe doet is niet de emotie waaruit het gedicht ontstaat, maar de emotie die door het gedicht gemaakt wordt.”
Hugo Brems in ‘De dichter is een koe’.
Een uitspraak die door velen onderstreept en herhaald is. Maar is het wel zo te simpel? De uitspraak gaat voorbij aan de lezer, en aan de wisselende stemmingen en ontvankelijkheden van de lezer. Het ene moment kan een gedicht je als de bliksem raken, terwijl je het een paar dagen later herleest en denkt: “wat is daar nu zo bijzonder aan?” En wat te denken van verschillen tussen lezers? De achtergrond van een lezer, zijn (of juist haar) leeftijd, belezenheid en smaak vormen een klankbord waartegen het gedicht resoneert. Het gedicht ‘maakt’ geen emotie, maar kan een emotie in iemand anders teweeg brengen.
“Het is als met een gedicht. Een korte periode denk je aan niets anders. ’s Nachts schiet je wakker met een bruikbaar woord in je hoofd. Terwijl je op straat loopt vorm je een zin. Iemand praat tegen je aan, in je ontstaat een beeld. Je leeft in een gloed, maar als het gedicht voltooid is dooft die gloed. Het gedicht is op zijn mooist als het op weg naar af is.”
Remco Campert in ‘Als in een droom'.
Mijn poëzie wil verstaanbaar zijn, maar niet per se eenvoudig. Onder de eerste lezing zijn vaak meerdere lagen aanwezig, net zoals een nauwkeurige waarneming meerdere lagen in een gebeurtenis bloot kan leggen. De werkelijkheid is complex, en wordt in het huidige tijdsgewricht met de dag complexer. Daarom hebben we heldere beelden nodig, om te onderzoeken wat belangrijk is en om tot diepere lagen in de ervaring door te dringen. Dit vraagt niet zozeer om moeilijke woorden of complexe structuren, maar om toewijding en geduld, zowel bij dichter als bij lezer. Goede poëzie beschrijft, belicht, becommentarieert en vangt de gelaagdheid van het bestaan.
"Robert Graves heeft in The White Goddess (1948) een messcherp criterium voorgesteld: ‘Echt grote poëzie veroorzaakt een huivering waarvan je haren recht overeind gaan staan.’ Oftewel:  Kippevel: goede poëzie. Geen kippevel: pulp. Maar misschien is het beter om de test wat te verruimen. Een goed gedicht herkent men dan aan het feit dat er een fysieke reactie optreedt: een wee gevoel in de maagstreek, een brok in de keel, een onbedwingbare neiging tot zuchten, hoesten of niezen, een verhoogde hartslag, een blos.”
Piet Gerbrandy in De Volkskrant, november 2006

Gerbrandy voegt hier aan toe: ‘het enige nadeel van de methode is dat ze subjectief is.’ Dat ben ik volmondig met hem eens. Al denk ik niet dat er ooit een criterium gevonden kan worden dat volledig objectief is. Wie dat beweert zij gewantrouwd!

Poëzie is een soort stilte, en men heeft stilte nodig om poëzie tot zich te kunnen nemen.
"Poëzie stelt vragen. De poëzie die mij het liefst is, is begrijpelijk en stelt desondanks vragen. Onbegrijpelijke poëzie stelt valse vragen, stelt hoofdzakelijk de vraag: 'wat betekent dit allemaal?' Na veel moeite blijkt het antwoord meestal: 'niets'.
Goede poëzie stelt juist vragen die ik perfect begrijp, maar waarop ik geen antwoord weet. Met dat niet-weten kan ik uren bezig zijn."
Herman de Coninck in 'Intimiteit onder de melkweg'
Wie wat vindt heeft slecht gezocht.
Rutger Kopland
Poëzie beschrijft (becommentarieert, belicht,  vangt) de gelaagdheid van het bestaan. Iets wat Kundera (m.n. in ‘De ondraaglijke lichtheid van het bestaan’) ook doet wanneer hij na het beschrijven van een bepaald voorval 'terugspoelt' en hetzelfde voorval nog een keer of zelfs vaker vertelt en vanuit een andere gezichtshoek belicht. Poëzie is een goede manier om iets van de ‘gelaagdheid’ van het bestaan te ontdekken en te verwoorden.
“Je wordt schrijver omdat het contact tussen je ik en de wereld op een gegeven moment is verstoord. je probeert het te herstellen door de syntaxis verband te laten leggen tussen subject en object.”
Jan Jesper Grøndahl in 'Piazza Bucarest'..
"Poëzie gaf mij de mogelijkheid om mijzelf en anderen te verduidelijken wat mij bewoog, wat er in mij leefde. Ik had de behoefte om mijzelf op een andere manier aan de wereld te tonen dan ik in het dagelijkse leven deed. Kennelijk was ik niet in staat om mijzelf op een vergelijkbare manier als in de poëzie bloot te geven aan anderen; om mijzelf te leren kennen en te laten kennen."
Rutger Kopland  – interview in Meander door Sander de Vaan maart 2007
Niet is minder vrij dan het vrije vers
T.S. Eliot

 

"Ik vind het niet erg om een aardige roman te lezen, die verdrijft tenminste nog op een aangename wijze de tijd, maar aan een aardig gedicht heb je niets. Een goed gedicht, daarentegen, gaat zeker boven een goede roman, om van een geweldig gedicht nog maar te zwijgen."
Mark Boog – interview in Meander