|
|
-
-
-
DE STAD IS NIET MEER VAN
MIJ
-
-
’s Avonds is de stad niet
meer van mij.
-
Donker geklede jongens
roepen elkaar iets toe.
-
Groepjes meiden raadplegen
hun mobiel
-
en laten de keien in
verwarring achter.
-
Zij weten waar het gebeuren
gaat,
-
ik loop hier nog wel, maar
veel te laat.
-
-
’s Middags is de stad niet
meer van mij.
-
Zoekend naar de juiste
versnelling bij tegenwind
-
word ik links en rechts
ingehaald door brugklassers
-
die achteloos met veel te
zware tassen
-
voortsnellen in hun veel te
dunne jassen
-
terwijl de oostenwind mij
rillen laat.
-
-
‘s Ochtends kan ik nog
denken dat de stad van mij is.
-
Ik ken de winkels op dit
vroege uur,
-
de ruiten ademen het
ochtendlicht.
-
Ik zie de mensen zonder
haast
-
en spiegel mij in elk
gezicht.
|
|
|