-
-
-
STADHUIS TE UTRECHT
-
-
Het verhaal van mijn
stad
-
begint niet bij de Dom,
-
die tijdloos torent
boven smalle straten.
-
Het is het verhaal van
mijn grootvader
-
als wij zaterdags uit
wandelen gingen.
-
-
Hij wees mij op de
grijze treden
-
die glommen van de
voorjaarsregen.
-
Daarachter lagen hoge
zalen
-
en de kalme vertrekken
-
van de burgerlijke
stand.
-
-
Slechts één keer nam hij
me bij de hand
-
en beklommen wij de
grijze treden.
-
Hij wees mij de gebonden
boeken,
-
de kaartenbakken
-
van zijn heiligdom.
-
-
Alles is er nog, hoor ik
mezelf zeggen.
-
De gids doorbreekt mijn
peinzen
-
en wijst op een detail.
-
Loze ramen waar de wind
doorheen blaast,
-
het verloop van een
scheve goot.
-
-
Een gedekte tafel
schuift uit een pui
-
als een vreemde
gedachtesprong.
-
Ik kan de treden niet
meer beklimmen,
-
het paspoort in mijn
handen
-
blijkt verlopen.
|