|
|
-
-
-
WAT WAS
-
-
Toen er niets meer dan afbraak overbleef
-
deed hij de glazen deuren langzaam open
-
en trad naar buiten en dacht: ik weerstreef
-
niet meer en zie van hopen en wanhopen
-
af nu het graf mij wacht. Ik heb geleefd,
-
gedronken en gegeten wat ik wilde
-
en alles wat ik in de avond schreef
-
blijft naast mij.
|
|
 |
|
Adriaan Roland Holst
uit: ‘Voorlopig’.
Van Oorschot, 1976
commentaar
|
|
|
|
|