|
|
-
-
- STERFBED
-
- Mijn vader sterft;
als ik zijn hand vasthoud,
- voel ik de botten
door zijn huid heen steken.
- Ik zoek naar
woorden, maar hij kan niet spreken
- en is bij elke
ademtocht benauwd.
-
- Dus schud ik
kussens en verschik de deken,
- waar hij met
krachteloze hand in klauwt;
- ik blijf zijn
kind, al word ik eeuwen oud,
- en blijf als kind
voor eeuwig in gebreke.
-
- Wij volgen één
voor één hetzelfde pad,
- en worden met
dezelfde maat gemeten;
- ik zie mijzelf nu
bij zijn bed gezeten
-
- zoals hij bij zijn
eigen vader zat:
- straks is hij weg,
en heeft hij nooit geweten
- hoe machteloos ik
hem heb liefgehad.
|
|
 |
|
Jean Pierre Rawie
Uit: ‘Onmogelijk geluk’
Bert Bakker, 1992
commentaar
|
|
|
|
|