|
|
-
-
-
NAAM
-
-
Ik zie hoe ze mij negeert, nauwlettend
-
vanuit ooghoeken volgt, zich afvraagt
-
wat of waarom die man in haar huis.
-
-
Toch vraagt ze niet wie ik ben, waarom
-
ik kasten open, jassen lucht, ongevraagd
-
post opruim, schoonmaak, thee zet.
-
-
Ben ik een dokter, klusjesman, een
-
zoon misschien? Ze spreekt me aan met u,
-
je weet maar nooit, en glimlacht beleeft.
-
-
Ik speel mee, alstublieft mevrouw, uw thee
-
en schrik als ze vraagt wie dat is, die foto,
-
die vrouw met een kind op de arm.
-
|
|
 |
|
Peter Swanborn
uit: ‘Tot ook ik verwaai’
Podium, 2009
commentaar
|
|
|
|
|
 |
 |
- De
afstand tussen de ik-persoon
(zoon) en de 'zij' (moeder) lijkt groter dan in het vorige gedicht
('Wandeling'). De zoon probeert zich te verplaatsen in zijn moeder, die hem
in dit stadium van haar ziekte niet meer herkent. Als zorgende zoon is hij
een manusje van alles geworden: dokter, klusjesman, werkster misschien. Hij
lijkt zich in dit lot te schikken, het gedicht ademt een liefdevolle
zorgzaamheid. Tot hij tot zijn schrik ziet, dat zij ook een vreemde geworden
is voor zichzelf, en de foto van hun gedeelde verleden niet meer herkent. In
dat ene beeld wordt de verwijdering pas echt voelbaar.
- Zie ook de
website van de dichter.
-
|
|
 |
|