|
De
dichteres verwijst bij dit
gedicht naar de 'Rückert-Lieder' van Mahler. Het is één van de vele gedichten
uit de bundel 'Kaalslag' waarbij slapeloosheid en nachtelijke spookbeelden het
onderwerp vormen. Juist 's nachts voelt de ik-persoon zich weerloos
tegenover herinneringen aan vroeger die zich opdringen. Vaak gaat het om pijnlijke
herinneringen, vol van spijt en gemis. In de laatste strofe probeert zij aan dit
verdriet en gemis een nieuwe zin te geven, bij wijze van opdracht voor de ouder wordende
mens. |